Of je nu traint voor een dressuurwedstrijd of wekelijks een springparcours rijdt: de hartslag van je paard is een belangrijke graadmeter. Het laat niet alleen zien hoe zwaar je paard op dat moment werkt, maar vertelt ook iets over zijn algehele conditie, stressniveau en herstelvermogen. In deze blog duiken we in drie belangrijke momenten waarop hartslagmeting van grote waarde is: de rusthartslag, tijdens dressuurtraining, en bij het springen.
De rusthartslag: je paard z’n natuurlijke ‘nulmeting’
De rusthartslag van een volwassen paard ligt meestal tussen de 28 en 40 slagen per minuut (bpm). Bij veulens ligt dit wat hoger, maar bij volwassen paarden is deze lage rustwaarde normaal.
Een paar belangrijke punten:
Rust betekent écht rust: meet bij voorkeur ’s ochtends, vóórdat je voert of iets met je paard doet.
Herken afwijkingen vroeg: is de hartslag plotseling 10–15 slagen hoger dan normaal? Dat kan duiden op stress, pijn, infectie of oververmoeidheid.
Conditie ≠ lagere rusthartslag: bij mensen daalt de rusthartslag bij training, bij paarden blijft die meestal stabiel. De fitheid van een paard zie je niet aan z’n rustpols, maar aan de hartslag tijdens arbeid en herstel.
Tip: Neem eens een week lang elke ochtend de hartslag van je paard op. Zo leer je wat ‘normaal’ is voor jouw paard en zie je sneller wanneer iets afwijkt.
Dressuur: gecontroleerde arbeid met mentale impact
In de dressuur draait het onder andere om souplesse, verzameling en nauwkeurige uitvoering. Hoewel de bewegingen vaak subtiel zijn, kan de hartslag toch oplopen – zowel door fysieke als mentale factoren.
Tijdens losrijden en lichte oefeningen schommelt de hartslag meestal tussen de 90 en 110 bpm.
Bij intensievere oefeningen in de hogere klasses (zoals piaffe, passage, pirouettes) kan de hartslag stijgen naar 120–140 bpm.
Mentale spanning speelt ook een grote rol. Een gespannen paard kan zelfs zonder veel fysieke inspanning een hartslag boven de 150 bpm laten zien.
Waar je op kunt letten:
Pieken zijn niet erg, maar langdurig hoge hartslagwaarden bij lichte oefeningen kunnen duiden op spanning, pijn of onvoldoende conditie.
Na een oefening moet de hartslag binnen 2 à 3 minuten flink dalen als het paard gaat stappen. Deze hersteltijd is een belangrijke indicator van de fitheid van je paard.
Springen: explosieve kracht, hoge pieken
Springtrainingen en -wedstrijden vragen om korte, explosieve inspanning en maximale concentratie. Niet alleen het lichaam, maar ook het zenuwstelsel draait op volle toeren.
Tijdens een parcours (1,00–1,30 m) loopt de hartslag op naar 150–190 bpm.
Bij de sprongen zelf en in een eventuele eindsprint kan dit pieken tot 200 bpm.
Omdat het werk intens maar kort is (rond 60–90 seconden), is hersteltijd na afloop de belangrijkste graadmeter.
Herstel is de sleutel:
Een fit paard daalt na een springronde binnen enkele minuten terug tot <100 bpm.
Blijft de hartslag te lang hoog, dan kan dat wijzen op vermoeidheid, overbelasting of gebrek aan basisconditie.
Meet ook bij herhalende parcoursen hoe de hartslag zich ontwikkelt: stijgt hij telkens sneller en herstelt hij trager? Dan is dat een teken dat het te zwaar wordt voor je paard.
Wat kun je ermee in je training?
Hartslagmetingen geven je waardevolle inzichten:
Train effectiever: zie of je paard daadwerkelijk intensief werkt, of juist te licht.
Voorkom overbelasting: herken het moment waarop er te weinig herstel is.
Vergelijk trainingsdagen: hoe reageert je paard op warm weer, een nieuwe omgeving of een andere ondergrond?
Monitor stress: zie hoe wedstrijdspanning zich uit in het lijf van je paard.
Tot slot: meten is weten!
De hartslag is één van de eerlijkste signalen die je paard je kan geven. Hij liegt niet. Door regelmatig te meten – in rust, tijdens dressuur en bij het springen – leer je jouw paard écht kennen. Je ontdekt hoe hij reageert op belasting, en hoe fit hij werkelijk is. Zo train je slimmer, veiliger en met meer oog voor het welzijn van je paard.